Onder een GNU/Linux-systeem is er geen noodzakelijke overeenkomst tussen directory's en fysieke devices, zoals die er onder Windows wel is, waar iedere drive zijn eigen directory-structuur heeft die met een letter wordt aangegeven (zoals C:\).
In plaats daarvan bevinden zich op ieder fysiek device, zoals een harddisk of diskette, één of meer bestandssystemen. Om een bestandssysteem toegankelijk te maken, wordt er een bepaalde directory in een ander bestandssysteem aan toegekend. Ter voorkoming van cirkelvormigheid, bevindt het root bestandssysteem (met daarin de root-directory /) zich niet in enig ander bestandssysteem -- je moet het automatisch benaderen wanneer je Debian boot.
Een directory in het ene bestandssysteem welk een ander bestandssysteem bevat, staat bekend als een mount-point. Een mount-point is een directory in een eerste bestandssysteem op een device (zoals je harddisk) die een tweede bestandssysteem "bevat", misschien op een ander device (zoals een diskette). Om een bestandssysteem te benaderen, moet je het op een mount-point mounten.
Dus als voorbeeld, wil je misschien een CD op het mount-point /cdrom mounten. Dit betekent dat als je in de directory /cdrom gaat kijken, je de inhoud van de CD te zien zal krijgen. De /cdrom directory zelf bevindt zich eigenlijk op je harddisk. Voor alle praktische doeleinden wordt de inhoud van de CD onderdeel van het root bestandssysteem, en als je opdrachten typt en programma's gebruikt maakt het geen verschil wat de echte fysieke lokatie van de bestanden is. Je zou een directory op je harddisk genaamd /cdrom kunnen hebben aangemaakt, en er wat bestanden in hebben kunnen geplaatst, en alles zou op exact dezelfde wijze blijven functioneren. Zodra je een bestandssysteem hebt gemount, is het niet nodig aandacht te schenken aan fysieke devices.
Het is echter wel nodig naar de devices zelf te verwijzen voordat je een bestandssysteem mount of een bestanddssysteem op een disk aanmaakt waarop er zich nog geen bevindt. Alle devices hebben namen, en deze bevinden zich in de /dev directory. Als je nu ls /dev intikt, zal je een tamelijk lange lijst met alle mogelijke devices te zien krijgen, die je ooit ook maar op je Debian-systeem zou kunnen hebben.
Mogelijke devices zijn onder andere: [1]
/dev/hda is IDE drive A. In het algemeen zal dit een harddisk zijn. IDE verwijst naar het type drive - mocht je niet weten wat dat betekent. Waarschijnlijk heb je een dergelijke drive, omdat het de meest algemene is. Je DOS/Windows C:\ partitie zal zeer waarschijnlijk op deze drive voorkomen.
/dev/hdb is IDE drive B, zoals je wellicht al geraden zal hebben. Dit zou een tweede harddisk kunnen zijn, of misschien is het wel een CD-ROM drive. Drives A en B zijn de eerste en tweede (master en slave) drives op de primaire IDE-controller. Drives C en D zijn de eerste en tweede drives op de secundaire controller.
/dev/hda1 is de eerste partitie van IDE drive A, het is gebruikelijk dat deze onder een DOS of Windows-systeem C:\ wordt genoemd. Merk op dat aan verschillende drives een letter is toegekend, terwijl specifieke partities van die drives bovendien zijn genummerd.
/dev/sda is SCSI-disk A. SCSI is als IDE, alleen als je niet wat wat het is, heb je waarschijnlijk geen van deze drives. Ze zijn niet zo algemeen in Intel PC's voor thuisgebruik, alhoewel ze vaak in servers en Macintoshes worden aangetroffen. [2]
/dev/fd0 is het eerste diskettestation, gewoonlijk A:\ onder DOS. Aangezien diskettes geen partities hebben, hebben ze slechts nummers, in plaats van het letter-nummer schema die voor harddisks worden gebruikt. Voor diskettestations verwijzen de nummers naar het station, en voor harddisks verwijzen de nummers naar de partities.
/dev/ttyS0 is de eerste seriële poort (COM1: onder DOS). /dev bevat de namen van vele devices, niet slechts van de diskdrives.
Om een bestandssysteem te mounten, willen we Linux aangeven, het bestandssysteem dat het op een bepaald device vindt te associëren met een bepaald mount-point. Tijdens dit proces, kan het zijn dat we Linux aan moeten geven naar welk soort bestandssysteem het moet zoeken.
| [1] | Dit is geen veelomvattende lijst. In het algemeen zal in de documentatie voor een bepaald device of programma terug te vinden zijn welke device naam je moet gebruiken. Er zijn honderden verschillende device namen. Een tamelijk complete (alhoewel niet zeer gedetailleerde) lijst zou op je systeem beschikbaar moeten zijn in het bestand /usr/src/linux/Documentation/devices.txt. |
| [2] | SCSI-devices hebben een gecompliceerder naamschema dan IDE-devices, voornamelijk omdat SCSI meer gebruiken heeft. De partities van een SCSI disk hebben de vorm /dev/sda[1-9a-f], dat wil zeggen, /dev/sda (of sdb of sdc, enz.) gevolgd door een nummer of letter in de reeks 1--9 of a--f. /dev/scd0 is het eerste SCSI CDROM device; algemene devices zoals scanners zouden er uit kunnen zien als /dev/sg0; /dev/st0 is een SCSI tape drive. |