"On a clear disk you can seek forever. "
Wanneer je je systeem installeert of upgrade, moet je nogal wat werk verrichten op je disks. Je moet bestandssystemen op de disks aanmaken, zodat er bestanden op kunnen worden bewaard en ruimte reserveren voor de diverse onderdelen van je systeem.
In dit hoofdstuk worden alle initiële activiteiten uitgelegd. Meestal hoef je dit werk niet opnieuw uit te voeren als je het systeem eenmaal hebt opgezet, behalve bij het gebruik van diskettes. Je zult naar dit hoofdstuk terug moeten keren, zodra je een nieuwe disk toe gaat voegen of je diskgebruik fijner af wilt stemmen.
De basistaken voor het beheren van disks zijn:
Formatteer je disk. Hierbij worden diverse taken uitgevoerd om het voor gebruik voor te bereiden, zoals het controleren op slechte sectoren. (Tegenwoordig is formatteren voor de meeste harddisks niet nodig).
Partitioneer een harddisk als je het wilt gebruiken voor meerdere activiteiten die elkaar niet mogen verstoren. Een reden voor partitioneren kan zijn dat je verschillende besturingssystemen op dezelfde disk wilt opslaan. Een andere reden is om bestanden van gebruikers gescheiden te houden van systeembestanden, wat het maken van backups vereenvoudigt en het helpt bij het beschermen van systeembestanden tegen beschadigingen.
Maak op elke disk of partitie een (geschikt type) bestandssysteem aan. Voor Linux betekent de disk niets totdat je er een bestandssysteem op aanmaakt; vervolgens kunnen er bestanden op worden aangemaakt en op worden benaderd.
Mount verschillende bestandssystemen om daarmee een enkele bestandsstructuur te creëren, of automatisch of zonodig handmatig. (Handmatig gemounte bestandssystemen moeten meestal ook met de hand worden ontkoppeld.)
UNIX, en daarom Linux, herkent twee verschillende soorten devices: willekeurig toegankelijke block devices (zoals harddisks), en character devices (zoals tapes en seriële lijnen), waarvan een aantal serieel kan zijn, en een aantal willekeurig toegankelijk. Elk ondersteund apparaat wordt in het bestandssysteem voorgesteld als een device file. Wanneer je een device file inleest of beschrijft, gaat de data of komt de data van het apparaat dat het voorstelt. Op deze wijze is geen speciaal programma (en geen speciale toepassingsprogrammeermethodologie, zoals het afvangen van interrupts of polling van een serieële poort) nodig om de apparaten te kunnen benaderen; voor bijvoorbeeld het naar de printer sturen van een bestand, geef je de opdracht
$ cat bestandsnaam > /dev/lp1 $ |
Gezien apparaten op het bestandssysteem worden voorgesteld middels bestanden ( in de directory /dev), is middels het gebruik van ls of andere geschikte opdracht eenvoudig te zien welk type apparaatbestanden voorkomen. In de uitvoer van ls -l, wordt in de eerste kolom het type bestand en de permissies getoond. Het inspecteren van bijvoorbeeld een serieel apparaat geeft als uitvoer:
$ ls -l /dev/ttyS0 crw-rw-r-- 1 root dialout 4, 64 Aug 19 18:56 /dev/ttyS0 $ |
Het kan zijn dat alle mogelijke apparaatbestanden voorkomen, ook als het apparaat zelf niet is geïnstalleerd. Dus al heb je een bestand /dev/sda, dan wil dat nog niet zeggen dat je daadwerkelijk een SCSI harddisk hebt. De beschikking hebben over alle apparaatbestanden maakt de installatie van programma's eenvoudiger, en het wordt makkelijker om nieuwe hardware toe te voegen (je hoeft er de juiste parameters niet bij te zoeken en de apparaatbestanden voor het nieuwe apparaat niet aan te maken).