Hoofdstuk 6. Disks en Andere Opslagmedia gebruiken

Inhoudsopgave
Twee soorten devices
Hard disks
Diskettes
CD-ROM's
Tapes
Formattering
Partities
Bestandssystemen
Disks zonder bestandssystemen
Diskruimte toewijzen

"On a clear disk you can seek forever. "

Wanneer je je systeem installeert of upgrade, moet je nogal wat werk verrichten op je disks. Je moet bestandssystemen op de disks aanmaken, zodat er bestanden op kunnen worden bewaard en ruimte reserveren voor de diverse onderdelen van je systeem.

In dit hoofdstuk worden alle initiële activiteiten uitgelegd. Meestal hoef je dit werk niet opnieuw uit te voeren als je het systeem eenmaal hebt opgezet, behalve bij het gebruik van diskettes. Je zult naar dit hoofdstuk terug moeten keren, zodra je een nieuwe disk toe gaat voegen of je diskgebruik fijner af wilt stemmen.

De basistaken voor het beheren van disks zijn:

Hoofdstuk 7 geeft informatie over virtueel geheugen en diskcaching, wat je ook moet weten bij gebruik van disks.

Twee soorten devices

UNIX, en daarom Linux, herkent twee verschillende soorten devices: willekeurig toegankelijke block devices (zoals harddisks), en character devices (zoals tapes en seriële lijnen), waarvan een aantal serieel kan zijn, en een aantal willekeurig toegankelijk. Elk ondersteund apparaat wordt in het bestandssysteem voorgesteld als een device file. Wanneer je een device file inleest of beschrijft, gaat de data of komt de data van het apparaat dat het voorstelt. Op deze wijze is geen speciaal programma (en geen speciale toepassingsprogrammeermethodologie, zoals het afvangen van interrupts of polling van een serieële poort) nodig om de apparaten te kunnen benaderen; voor bijvoorbeeld het naar de printer sturen van een bestand, geef je de opdracht

$ cat bestandsnaam > /dev/lp1
$
en de inhoud van het bestand wordt afgedrukt (het bestand moet uiteraard in een dusdanige opmaak staan dat de printer dit begrijpt). Aangezien het echter geen goed idee is om verscheidene mensen tegelijkertijd hun bestanden op deze wijze naar de printer te laten sturen, maakt men meestal gebruik van een speciaal programma (gewoonlijk lpr) om bestanden af te drukken. Dit programma zorgt ervoor dat er slechts één bestand tegelijkertijd wordt afgedrukt, en het zal automatisch bestanden naar de printer sturen zodra het gereed is met het vorige bestand. Iets dergelijks is voor de meeste apparaten nodig. In wezen hoeft men zich zelden bezig te houden met apparaatbestanden.

Gezien apparaten op het bestandssysteem worden voorgesteld middels bestanden ( in de directory /dev), is middels het gebruik van ls of andere geschikte opdracht eenvoudig te zien welk type apparaatbestanden voorkomen. In de uitvoer van ls -l, wordt in de eerste kolom het type bestand en de permissies getoond. Het inspecteren van bijvoorbeeld een serieel apparaat geeft als uitvoer:

$ ls -l /dev/ttyS0
crw-rw-r--    1 root     dialout    4,  64 Aug 19 18:56 /dev/ttyS0
$
Het eerste teken in de eerste kolom, d.w.z., `c' in crw-rw-rw-, vertelt een gebruiker het type bestand, in dit geval een character device. Bij gewone bestanden, bestaat uit eerste teken uit een `-', bij directory's is dit een `d', en voor block devices een `b'; zie de manpage van ls voor meer informatie.

Het kan zijn dat alle mogelijke apparaatbestanden voorkomen, ook als het apparaat zelf niet is geïnstalleerd. Dus al heb je een bestand /dev/sda, dan wil dat nog niet zeggen dat je daadwerkelijk een SCSI harddisk hebt. De beschikking hebben over alle apparaatbestanden maakt de installatie van programma's eenvoudiger, en het wordt makkelijker om nieuwe hardware toe te voegen (je hoeft er de juiste parameters niet bij te zoeken en de apparaatbestanden voor het nieuwe apparaat niet aan te maken).