Veel programma's maken gebruik van X. Een aantal programma's, zoals emacs, kan als een tekstgeöriënteerd programma worden uitgevoerd en als een programma dat een eigen X-venster aanmaakt. De meeste X-programma's kunnen echter alleen onder X worden uitgevoerd.
Alle programma's draaiend onder X hebben aan paar dingen gemeen. Onder X zegt de geometrie iets over de grootte van het venster en waar deze zich bevindt. De geometrie van een venster bestaat uit vier componenten:
De horizontale grootte, gewoonlijk gemeten in pixels. (Een pixel is de kleinste eenheid die kan worden ingekleurd. Veel setups van X op Intel PC's hebben 1024 horizontaal en 768 pixels verticaal.) Een aantal toepassingen, zoals xterm en emacs, meten hun omvang in termen van het aantal tekens die in het venster passen. (Bijvoorbeeld tachtig tekens naast elkaar.)
De verticale grootte, gewoonlijk ook gemeten in pixels. Het is mogelijk het te meten in tekens.
De horizontale afstand vanaf één van de zijden van het scherm. +35 zou bijvoorbeeld betekenen de linkerkant van het venster vijfendertig pixels vanaf de linkerkant van het scherm te maken. Aan de andere kant, betekent -50, maak de afstand van de rechterkant van het venster vijftig pixels vanaf de rechterkant van het scherm. Gewoonlijk is het onmogelijk het venster buiten het scherm te beginnen, alhoewel een venster wel van het scherm af verplaats kan worden. (De belangrijkste uitzondering is wanneer het venster erg groot is.)
De verticale afstand vanaf de boven- of onderkant. Een positieve afstand wordt gemeten vanaf de bovenkant van het scherm; een negatieve verticale afstand wordt gemeten vanaf de onderkant van het scherm.
De vier componenten worden allen in een geometriereeks geplaatst gelijkend op: 503x73-78+0. (Dat is te vertalen naar een venster van 503 pixels breed, 73 pixels hoog, nabij de bovenrechterhoek van het scherm geplaatst.) Een andere manier om het uiteen te zetten is hsize x vsize - hplace + vplace.
Elke X-toepassing heeft een display waarmee het is geassocieerd. De display is de naam van het scherm dat de X-server bestuurt. Een display bestaat uit drie componenten:
De naam van de machine waarop de server draait. Bij stand-alone Linux installaties draait de server altijd op hetzelfde systeem als de clients. In een dergelijke situtatie kan de naam van de machine worden weggelaten.
Het nummer van de server die op de machine draait. Aangezien op elke machine meerder X-servers kunnen draaien (onwaarschijnlijk voor de meeste Linux-machines, maar wel mogelijk) heeft elke server een uniek nummer nodig.
Het schermnummer. X ondersteunt een bepaalde server die meer dan één scherm tegelijkertijd bestuurt. Je kunt je dit voorstellen als iemand die veel schermruimte nodig heeft, en daarvoor twee monitors naast elkaar heeft staan. Aangezien men om redenen van performance geen twee X-servers op één machine wil hebben draaien, laat men één X-server beide schermen besturen.
Deze drie zaken worden als volgt samengevoegd: machine:servernummer.schermnummer.
Op bijvoorbeeld mousehouse is voor alle toepassingen het display ingesteld op :0.0, wat het eerste scherm van de eerste server op de lokale display betekent. Zou ik echter gebruik maken van een remote computer, dan kan het display zijn ingesteld op mousehouse:0.0.
Standaard wordt de display gehaald uit de omgevingsvariabele (zie de paragraaf Omgevingsvariabelen in Hoofdstuk 10) genaamd DISPLAY, en deze waarde kan worden overschreven met een opdrachtregeloptie (zie de ). Probeer de opdracht echo $DISPLAY om te achterhalen hoe DISPLAY is ingesteld.